beleggen in beleggingsfondsen, hoe werkt dat?

Heb je relatief weinig vermogen wat je wil beleggen of vindt je de tariefstructuur van banken en brokers ondoorzichtig? Dan is beleggen in beleggingsfondsen een goede optie. Vooral beginnende en kleine beleggers zijn erg gebaat bij beleggingsfondsen.

Beleggingsfondsen dekken de Gouden regel nummer twee

Gouden regel nummer twee is dat je altijd je beleggingen moet spreiden. Hiermee voorkom je dat als één bedrijf failliet gaat je (vrijwel) al je vermogen in één klap kwijt raakt. Daarnaast is het heel normaal dat als het ene aandeel wat minder winst maakt, het andere aandeel juist uitstekend presteert. Door te beleggen in verschillende bedrijven, sectoren (industrie, handel, energie, voeding, e.d.) en landen/regio's, spreid je het risico en zal zorgen voor beperkte fluctuaties in je rendement.

Spreiding vereist veel vermogen

Praktisch houdt dit in dat je de beleggingen minimaal moet verdelen over tien of liever nog meer bedrijven/sectoren/landen/regio's. Als een aandeel 100 euro zou kosten en je zou in tien verschillende bedrijven investeren dan heb je al meteen 100 euro x 10 aandelen = 1000 euro nodig. Dat is nog tot daar aan toe, maar de kosten voor het aanschaffen van een aandeel brengt transactiekosten met zich mee.

We houden het heel simpel in dit voorbeeld (de kosten zijn vaak een stuk complexer), als je aandelen van een bedrijf wilt kopen betaal je bijvoorbeeld 10 euro aan transactiekosten (ongeacht het aantal aandelen dat je van één bedrijf koopt) aan je bank of broker. Koop je één aandeel van 100 euro dan ben je dus al 10 euro kwijt. Als de koers van het aandeel is gestegen kan je overwegen het aandeel te verkopen. Maar ook dan betaal je weer dezelfde transactiekosten. Wil je dus winst behalen dan moet de koers van het aandeel meer dan 20 euro zijn gestegen!

Spreiding kost veel rendement

Een voorbeeld: je koopt één aandeel van 100 euro. Na enige tijd is de koers gestegen naar 130 euro. Dan is het rendement op dit aandeel het verschil tussen verkoop en aankoopkoers gedeeld door de aankoopkoers, dus 130 (verkoop) - 100 (aankoop) / 100 (aankoop) = 30%. Helaas moest je tijdens aankoop én verkoop 10 euro transactiekosten betalen. Dus 20 euro totaal. Het rendement is dan maar: 130 (verkoop) - 100 (aankoop) - 20 (transactiekosten) / 100 (aankoop) = 10%. Was de waardestijging beperkt gebleven tot 120 euro dan had je zelfs 0% rendement gehad. De aan- en verkoopkosten zijn voor één aandeel (of ander beleggingsproduct) dus onacceptabel hoog.

Hoe hoger het belegde vermogen hoe lager de kosten

Wanneer je in bovenstaand voorbeeld niet één aandeel maar tien aandelen had gekocht, bleven de transactiekosten (meestal) gelijk en was het rendement veel hoger geweest. Dat is: waardestijging van het aandeel 30 euro x 10 aandelen = 300 euro bruto winst. Transactiekosten: 20 euro. Netto winst = 300 - 20 euro = 280 euro. Per aandeel was de wist 280 euro / 10 aandelen = 28 euro, dus 28% rendement. Veel aandelen kopen van één bedrijf drukt dus de transactiekosten en verhoogt het rendement.

Maar dit druist weer helemaal in tegen de gouden regel 2 van beleggers: spreid je risico, door in verschillende bedrijven te investeren. Je had deze transactie feitelijk minimaal moeten doen in tien verschillende bedrijven/sectoren. Maar dan had je een vermogen van 10 bedrijven x 10 aandelen x 100 euro = 10.000 euro moeten investeren. De vraag is of je die wel hebt.

Gezien bovenstaand voorbeeld is het direct beleggen in aandelen of obligaties met kleine vermogens, door de hoge transactiekosten, niet aantrekkelijk. Dat is één van de belangrijkste bestaansrechten van beleggingsfondsen en de populariteit daarvan onder vele beleggers.

Hoe werken beleggingsfondsen?

Beleggingsfondsen bieden beleggers met relatief kleine vermogens twee belangrijke voordelen: de transactiekosten zijn zeer laag en de spreiding is zeer groot. Hoe kan een beleggingsfonds deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheden met elkaar combineren?

Schaalvoordeel: vele kleine beleggers vormen samen een grote

Het sleutelwoord is schaalvoordeel. We nemen het eerder genoemde voorbeeld. Een beleggingsfonds koopt van 10 bedrijven ieder 10 aandelen met een koerswaarde van 100 euro. Het beleggingsfonds investeerde daarmee 10x10x100=10.000 euro. Daarnaast moest men 10 x 10 = 100 euro transactiekosten betalen, want men heeft de aandelen gekocht, maar nog niet verkocht. De waarde van het beleggingsfonds is dus feitelijk 10.000 euro - 100 euro transactiekosten = 9.900 euro.

Het beleggingsfonds gaat het vermogen verdelen over 100 participaties. Het beleggingsfonds moet dus 100 beleggers weten te interesseren voor hun beleggingsfonds. Iedere participatie kost de belegger 9.900 euro / 100 participaties = 99 euro. Stel dat de gemiddelde koers van de aandelen stijgt van 100 naar 130 euro. Dan is de waarde van het beleggingsfonds gestegen met 100 aandelen x 30 euro koersstijging = 3000 euro.

Lagere transactiekosten door niet te verkopen

De waarde van het beleggingsfonds stijgt dan evenredig mee. Was de waarde van het beleggingsfonds eerste 9.900 euro, nu is dit gestegen naar 9.900 + 3000 = 12.900 euro. Het beleggingsfonds kent 100 participanten. Iedere participant heeft zijn vermogen zien stijgen naar 12.900 euro / 100 participanten = 129 euro. Een stijging van 29%. Dat is zelfs één procent meer dan bij de particuliere belegger. Want die had zijn aandelen verkocht en had ook de verkoop transactiekosten. Met een heel klein bedrag van in dit geval 100 euro kan je toch meeprofiteren van koersstijgingen met lage transactiekosten én is je risico laag doordat het beleggingsfonds investeerde in tien verschillende bedrijven.

Je winst nemen in het beleggingsfonds

Stel dat je deze winst wil verzilveren. Dan moet je aan het beleggingsfonds verzoeken om jouw participatie terug te nemen en de corresponderende waarde van 129 euro terug te geven. Het beleggingsfonds kan nu twee dingen doen. Men gaat eerst 1% van de aandelen verkopen om jouw die 129 euro te geven. Maar aan die verkoop zitten transactiekosten vast, die ten laste gaan van het beleggingsfonds. Het alternatief is dat men even wacht en gelijk of iets later dat jij van jouw participatie af wil, is wel een andere belegger die een participatie in dit beleggingsfonds wil kopen. Die nieuwe belegger moet voor één participatie betalen: 12.900 euro (de waarde van de gezamenlijke aandelen, dus de totale waarde van het beleggingsfonds) / 100 participaties = 129 euro. Met dat bedrag van 129 euro die de nieuwe participant betaalt kan het beleggingsfonds jouw participatiewaarde van 129 euro weer terugbetalen. Iedereen blij.

Wat gebeurd er bij zeer grote uit- of instroom van participanten?

Stel dat er meer participanten bijkomen dan er af gaan, zal het beleggingsfonds haar vermogen zien stijgen en daarmee zal men aandelen gaan kopen in bedrijf nummer 11, 12 etc. (of haar belangen in bepaalde bedrijven verder uitbreiden).

Wanneer in een korte tijd veel participanten hun participatie inleveren en de waarde van de participatie opeisen zullen er niet voldoende nieuwe participanten zijn om dit te compenseren. In dat geval zal het beleggingsfonds aandelen moeten gaan verkopen wat een kleine negatieve invloed heeft op het vermogen. Immers, verkopen van aandelen kost transactiekosten. De waarde van het beleggingsfonds zal dan (een klein beetje) dalen.

Moet het beleggingsfonds zelf ook niet wat verdienen?

Natuurlijk, maar dat hebben we in bovenstaand voorbeeld voor het gemak weggelaten. Iedereen die bij het beleggingsfonds werkt wil ook een goed belegde boterham met kaas. Daarom rekent een beleggingsfonds "administratie en/of beheerkosten". Deze zijn zo'n 0,5 tot 1,5% per jaar. Deze hoef je niet rechtstreeks te betalen. Die kosten gaan af van het vermogen van het beleggingsfonds waardoor de waarde van jouw participatie met 0,5 to 1,5% daalt. Is dat niet veel? Nee. Bereken maar eens wat je kwijt bent aan transactiekosten en alle andere bijkomende kosten als je rechtstreeks belegd in bijvoorbeeld aandelen of obligaties. Want buiten de aan- en verkoopkosten worden vaak ook jaarlijkse kosten berekend als "bewaarloon" e.d.

Waarin beleggen beleggingsfondsen eigenlijk?

Dat bepaald het beleggingsfonds zelf. Die keuze maken zij openbaar via hun prospectus of lees je op hun website. Zo heb je beleggingsfondsen die alleen maar beleggen in obligaties of alleen maar aandelen, of combinaties. Daarnaast zijn er combinaties met sectoren en/of landen/regio's. Zo zou je kunnen participeren in een beleggingsfonds die alleen maar belegd in aandelen van de energiesector in de Verenigde Staten. Of de top 100 bedrijven in Azië. Of staatsobligaties in de euro zone. De keuze in beleggingsfondsen voor bepaalde sectoren / landen/regio's is enorm. De bekende beleggingsfondsen hebben zeer grote belegde vermogens van honderden miljoenen euro's of meer.

Waar koop ik beleggingsfondsen?

Via je bank of je broker. Grote banken hebben zelf veel beleggingsfondsen. Vooral ABN en ING hebben zeer veel eigen beleggingsfondsen. Maar via deze banken kan je ook beleggingsfondsen kopen van andere partijen. Denk aan bijvoorbeeld de al zeer oude beleggingsfondsen van Delta Lloyd of Robeco.

Ben ik mijn geld kwijt als de bank failliet gaat?

Normaal gesproken niet. Maar controleer dit per beleggingsfonds. Stel je hebt geïnvesteerd in het ABN AMRO Global fund. En stel dat de ABN AMRO bank failliet gaat. Dan ben je het geld van het beleggingsfonds niet kwijt. De meeste beleggingsfondsen zijn namelijk aparte losstaande bedrijven die geen risicodragend onderdeel zijn van het moederbedrijf.


Foutje of aanvulling? Gebruik het reactieformulier.

home­ >beleggen >beleggingsfondsen

contact   voorwaarden   disclaimer   privacybeleid   over ons  
wij gebruiken cookies
dat accepteer ik
meer informatie